Verhaaltje over Kootje

Elke zondag wordt er in de kerk het Kyriegebed gebeden.
Lees hieronder een verhaaltje over het Kyriegebed.

Kootje kijkt.
Je wist het nog niet, maar bij ons in de kerk, ergens onder het dak, op een plek waar niemand haar ziet, zit Kootje Zevenstippel. Je hoeft niet bang voor haar te zijn, want ze doet niks. Ze kijkt alleen maar.
Kootje kijkt naar beneden en ze ziet…….
Een dominee die voorin de kerk staat. De dominee heeft een witte jurk aan met een soort sjaal die naar beneden hangt. “Laten we bidden,” zegt hij.
Kootje schrikt. Gaan die mensen nu allemaal tegelijk bidden? Hardop? Dat wordt natuurlijk een groot kabaal! Kootje stopt snel haar vingers in haar oren zodat zij er geen last van heeft. Het lijkt haar voor God trouwens ook niet makkelijk, als iedereen tegelijk gaat bidden. Hoe kan Hij daar nou naar luisteren? Of zou Hij helpers hebben die het later aan hem doorgeven? Misschien wel engelen, of mensen in de hemel. Het kan ook nog zijn dat God honderd oren heeft, bedenkt Kootje. Of misschien wel duizend. Dan kan Hij al die gebeden in een keer horen. Ja, zoiets moet het haast wel zijn.
Kootje kijkt nog eens naar beneden. Het lijkt toch niet alsof al die mensen aan het praten zijn: ze zitten stil met hun ogen dicht. (behalve een meneer achteraan, die zit met zijn ogen open.) Voorzichtig doet Kootje een vinger uit haar oor en daarna de andere. Het is geen kabaal; alleen de dominee praat. Hij bidt voor plekken in de wereld waar het heel ellendig is. Dat vindt Kootje wel goed. Maar toch is het gek: de dominee zei echt ‘laten wij bidden’, en nu bidt hij alleen maar zelf. Of zou hij van tevoren aan alle mensen gevraagd hebben waar ze voor willen bidden, zodat hij dat allemaal kan zeggen? Vast niet. Dan zou het een veel te lang gebed worden. Misschien heeft hij wel een lijst gemaakt, bedenkt Kootje. Dan mochten de mensen stemmen en alleen de top drie wordt door de dominee genoemd.
En die meneer achteraan, die heeft natuurlijk op iets anders gestemd. Die denkt: ik ga mooi niet meedoen, als ze mijn gebed niet uitkiezen.
Kootje is blij dat ze het opgelost heeft. En hoewel ze niet meegestemd heeft voor het gebed, vouwt ze toch nog even haar pootjes. Voor de ellende in de wereld wil ze best meebidden.
“Ontferm U, Heer”, zegt de dominee aan het eind van het gebed. En daarna: “Amen”.
Kootje weet niet goed wat ontferm is. Maar toch fluistert ze heel zachtjes op haar plekje bovenin
de kerk: Amen.

Palmpasenstok

Palmpasenstok

Zo kun je een palmpaasstok maken:

Materiaal
Houten kruis:
latten of rechte takken van 40 en 60
à 70 cm lang
touw of metaaldraad
Buxustakjes
Stroken gekleurd crêpepapier
Plakband
Rozijnen of krenten
Draad en naald
Pinda's in de dop
Citroen of sinaasappel
Een ei (echt of chocolade)
Broodhaantje
Omwikkel het kruis met crêpepapier.
Fixeer het kruispunt van de takken of latten met touw of metaaldraad.

Rijg van dertig pinda's een slinger. Rijg ook een ketting van de rozijnen of de krenten. Versier het kruis met de verschillende onderdelen. Zet het broodhaantje er tot slot bovenop.

Lied van Pasen:
’t Is Pasen, Jezus is opgestaan, ’t is tijd om samen op weg te gaan,
op weg naar de mensen, die wij kunnen helpen
dus eenzamen, armen en rijken, kom, we geven je een hand
dan draaien we ons om en gaan op weg in een lange rij,
want Pasen geeft je moed, Pasen maakt je blij.
 

De soepsteen

De soepsteen
(gebaseerd op een Iers sprookje over een arme man die honger heeft)

Je wordt treurig als je ziet hoe droef het is
in het dorpje Treurigheid, gemeente Droefenis.
Ze hebben er weinig en lachen niet vaak.
Het is een dorpje zonder kraak of smaak.

Maar op een dag komt er een man
die het hele dorp veranderen kan.
Hij verzamelt de dorpelingen om zich heen
en zegt: ‘Kijk eens goed naar deze steen.

Hiermee maak ik een soep, en dan is het feest
zoals het in Treurigheid nog nooit is geweest’.
Hij legt de steen in een koperen pan
en vraagt of iemand hem wat water brengen kan.

Daarna kijken ze goed, de dorpelingen en de man.
Iedereen denkt, maar niemand zegt er wat van.
Ze zien hoe het pruttelt en borrelt en sist,
die steen in de pan, waarbij toch nog iets mist.

‘Een snufje laurier’, mompelt de man, ‘dat moet er wel bij,
en ook nog tomaat en courgette en een prei.’
De dorpelingen halen het op en zien thuis in de kast
nog veel meer dat in de feestsoep past.
De man roert en hij roert en hij roept: ‘Volgens mij is het klaar!
Het feest kan beginnen, kom allemaal maar.’
En er wordt gezongen, gedanst en gefeest
alsof ze in Treurigheid nooit droef zijn geweest.

En aan het eind ligt in een bijna lege, koperen pan
alleen nog een steen, die een dorp veranderen kan.